Nu pas zag Tibbe dat ze haar koffertje bij zich had. Het stond onder het dakraam.
‘U moet onder de hete douche,’ zei hij. ‘En iets droogs aandoen. Anders bent u morgen ziek.
‘Heel graag,’ zei ze. Ze nam haar koffertje op en ging. En toen ze langs hem liep, wreef ze even met haar hoofd tegen zijn mouw en kronkelde zich.
Ze geeft me
Toen ze in het douchehok was verdwenen, ging Tibbe in zijn woonkamer zitten. ‘Idioot...’ zei hij tegen zichzelf. ‘Een raar mens dat door je dakraam naar binnen komt. Uitgehongerd. Dat spint en kopjes geeft!’
Ineens kwam er een vreselijke gedachte bij hem op. Ze zou toch niet... ze zou toch niet bij hem willen blijven wonen? Ze zocht een betrekking, had ze gezegd. Maar ‘t was duidelijk dat ze een huis zocht. Een aanloopkat.
‘Ik wil het niet,’ zei Tibbe. ‘Ik heb al een kat. Ik ben veel te blij dat ik alleen woon en lekker m’n eigen baas ben. En ik heb trouwens maar
Daar was ze... ze kwam de kamer binnen.
Zie je wel? dacht Tibbe. Had ik het niet gedacht? Daar stond ze in een pyjamaatje met een kamerjas eroverheen en met toffeltjes.
Ze liet hem haar natte mantelpakje zien dat ze over de arm droeg. ‘Mag dat alstublieft even drogen bij de kachel?’
‘Eh... Ja, dat mag,’ zei Tibbe. ‘Maar ik wou u wel meteen zeggen dat eh...’
‘Wat?’
‘Kijk eens, juffrouw, wat mij betreft kunt u hier een uurtje wachten tot die kleren droog zijn. Maar u kunt
‘O nee?’
‘Nee juffrouw. Het spijt me. Dat gaat absoluut niet.’
‘O,’ zei ze. ‘Ook niet voor
‘Nee,’ zei Tibbe. ‘Ik heb geen bed voor u.’
‘Ik hoef niet in een bed. Daarachter op de rommelzolder staat een hele grote doos. Een kartonnen doos waar blikken soep in hebben gezeten.’
‘In een doos?’ vroeg Tibbe. ‘Slapen in een doos?’
‘O ja. Als u er een verse krant in legt.’
Tibbe schudde koppig z’n hoofd. ‘Ik zal u geld geven voor een hotel,’ zei hij. ‘Hier in de buurt is er een.’
Hij greep naar z’n portemonnee, maar ze wees het meteen af. ‘O nee,’ zei ze. ‘Dat hoeft niet. Als het echt niet kan, dan ga ik maar. Ik zal m’n natte pakje maar weer aandoen en ik ga maar meteen.’
Ze stond daar zo zielig. En ze keek zo angstig. En buiten hoorde je de wind en de regen. Met dit weer kon je een arme kat niet het dak op sturen.
‘Goed, vooruit, voor
‘Mag ik in de doos?’
‘Best. Maar onder
Ze hoorden een plofje in de keuken. Het was Fluf die eindelijk terug was van zijn daktocht en binnen kwam met een natte grijze vacht.
‘Ik wist het allemaal van hem,’ zei juffrouw Minoes. En ze wees op Fluf. ‘Hij heeft me alles over u verteld. Ik heb trouwens met veel katten in de buurt gesproken. Ze zeiden allemaal dat u de aardigste was.’
Tibbe kreeg een kleur. Hij voelde zich gek genoeg gevleid. ‘U... u praat met katten?’ vroeg hij.
‘Ja.’
Wat een onzin, dacht Tibbe. Het mens is een beetje gek. ‘En eh... Hoe komt het dat u met katten kunt praten?’ ‘Ik was er zelf een,’ zei ze. Hartstikke gek, dacht Tibbe.
Juffrouw Minoes was voor de kachel gaan zitten, naast Fluf. Ze zaten samen op het haardkleedje en Tibbe hoorde nu twee spinnende geluidjes door elkaar heen. Het klonk erg vredig. Zou ik toch nog dat stukje over haar schrijven? dacht Tibbe.
Dan word ik dezelfde dag nog op straat gegooid... dacht Tibbe. Hij hoorde nu dat ze met elkaar aan ‘t praten waren, de juffrouw en zijn kat. Ze maakten kleine spinnerig-mauwerige geluidjes.
‘Wat zegt Fluf nou?’ vroeg hij bij wijze van grapje.
‘Hij zegt dat uw pepermuntjes in een jampot zitten op de bovenste plank van de boekenkast. U hebt ze daar zelf gezet.’
Tibbe stond op om te kijken. Het was zo.
Hoofdstuk 3
‘En toch geloof ik het niet,’ zei Tibbe. ‘Dat u met katten praat. Het is iets anders. Een soort gedachten lezen of zo.’
‘Misschien,’ zei juffrouw Minoes dromerig. Ze geeuwde. ‘Ik ga in m’n doos,’ zei ze. ‘Mag ik deze ouwe krant meenemen?’
‘Weet u zeker dat u geen dekentje of kussentje hoeft te hebben?’
‘O nee, allemaal niet nodig. Fluf slaapt liever op uw voeten, heb ik gehoord. Ieder heeft zo z’n bepaalde voorkeur. Welterusten.’
‘Goedenacht, juffrouw Minoes.’
Bij de deur draaide ze zich nog even om. ‘Ik heb wel een paar nieuwtjes gehoord onderweg,’ zei ze. ‘Hier in de buurt op de daken.’
‘Nieuwtjes? Wat dan?’
‘De Jakkepoes krijgt binnenkort weer jongen.’
‘O,’ zei Tibbe. ‘’t Is jammer maar ik mag niet meer over katten schrijven. Ze vinden het niet interessant genoeg.’