Tibbe kreeg een kleur. Het was niet waar... helaas. Hij was nog net zo verlegen als vroeger. Alle nieuwtjes kwamen van de katten en hij hoefde ze enkel maar op te schrijven. Hoewel... nee, vaak moest hij wel even controleren of het allemaal
Er waren ook zo vreselijk veel katten in Killendoorn. Ieder gebouw had er een of meer. Nu, op dit moment, zat er een in de vensterbank van deze kamer.
Het was de Redactiekat. Hij knipoogde tegen Tibbe.
Die kat luistert alles af, dacht Tibbe. Ik hoop niet dat hij lelijke dingen over me vertelt.
‘En ik dacht er dus over...’ zei de hoofdredacteur, ‘om je aan het eind van de maand wat meer salaris te geven.’
‘Dank u wel, fijn meneer,’ zei Tibbe. Tersluiks keek hij even naar de Redactiekat en voelde dat hij alweer bloosde. De kat had iets van koude minachting in z’n blik. Waarschijnlijk vond hij Tibbe veel te onderdanig en te kruiperig.
Even later op straat, waar de zon scheen, had Tibbe alleen nog maar de neiging om te hollen en te huppelen, zo opgelucht voelde hij zich.
En hij riep hard
Het was Bibi, een klein meisje dat in de buurt woonde en wel eens bij hem op visite kwam.
‘Wil je een ijsje?’ vroeg Tibbe. ‘Kom mee, dan krijg je een heel groot ijsje van me.’
Bibi zat op school bij meneer Smit en ze vertelde hem dat er een tekenwedstrijd was en dat zij van plan was een grote prent te maken.
‘Wat ga je tekenen?’ vroeg Tibbe.
‘Een poes,’ zei Bibi.
‘Hou je van katten?’
‘Ik hou van alle beesten.’ Ze likte aan haar grote roze ijsje.
‘Als je de tekening af hebt kom ‘m dan maar eens laten kijken,’ zei Tibbe en hij ging naar huis.
Het was nu een week dat juffrouw Minoes bij hem op zolder woonde en alles bij elkaar genomen viel het best mee. Eigenlijk kwam het erop neer dat hij twee katten had in plaats van een.
Minoes sliep in de doos. En ze sliep meestal overdag, ‘s Nachts ging ze door het keukenraam naar buiten, het dak op. Dan zwierf ze over de daken en door de achtertuintjes, ze sprak met de vele katten in de omtrek en pas tegen de ochtend kwam ze thuis en ging haar doos in.
Het belangrijkste was dat ze voor nieuws zorgde. De eerste dagen was het Fluf geweest die ijverig speurde naar nieuwtjes. Maar Fluf was geen echte nieuwskat. Hij kwam meestal met roddelpraatjes over kattengevechten, over een rat in het havenkwartier of over een haringkop die hij ergens had gevonden. Hij bemoeide zich zelden met mensengeruchten.
Nee, de grote bron van al het nieuws was de Jakkepoes. Zij wist alles.
Dat kwam vooral omdat ze een zwerfkat was en soepvlees wegkaapte bij alle lagen van de bevolking. En omdat ze een uitgebreide familie had.
Overal in de stad woonden kinderen en kleinkinderen van de Jakkepoes.
‘s Nachts ontmoette Minoes haar op het dak van de Verzekeringsbank en elke keer bracht ze een plastic zakje vis voor haar mee.
‘Bedankt,’ zei de Jakkepoes dan. ‘Mijn dochter, de Gemeentepoes, wacht op je bij het Stadhuis. Ze zit op een van de stenen leeuwen aan de voorkant en ze heeft een nieuwtje voor je...’
Of: ‘De kat van de slager wou je iets vertellen. Hij zit in de derde tuin links, vanaf de kastanje...’
Nog dezelfde nacht ging Minoes dan langs de brandtrap van de Verzekeringsbank naar beneden, sloop over een binnenplaatsje en kwam door een achterpoortje in een steeg. En vandaaruit naar de afgesproken plek waar een of andere kat zat te wachten.
‘Binnenkort,’ zei de Jakkepoes, ‘zullen we op een andere plek bij elkaar moeten komen. Ik voel dat mijn jonkies over een paar dagen geboren zullen worden en dan moet ik bij die kleine mispunten blijven en kan niet aldoor het dak op. Maar dat hindert niet, de doorgeefdienst blijft bestaan. Alle katten zijn ingelicht. Ze weten allemaal dat je baas op nieuws zit te wachten en ze letten goed op. Ze luisteren en ze loeren overal. De een geeft het door aan de ander.’
‘Waar wil je je jonkies krijgen?’ vroeg Minoes. ‘Heb je een geschikte plek?’
‘Nog niet,’ zei de Jakkepoes. ‘Maar ik vind wel wat.’
‘Kun je niet bij ons komen? Op de zolder?’
‘Geen kwestie van!’ riep de Jakkepoes. ‘Vrijheid blijheid! Zeur niet zo!’
‘Mijn baas is erg aardig,’ zei Minoes.
‘Dat weet ik. Hij is een goed mens, voor zover mensen goed kunnen zijn... maar ik hou nou eenmaal niet van het soort. Zolang ze kind zijn gaat het nog... soms... Ken je Bibi?’
‘Nee.’
‘Ze tekent me,’ zei de Jakkepoes. ‘Ze tekent me uit! En zoals ik nu ben, met m’n dikke buik, vindt ze me mooi! Is
‘Waarom dicht bij een radio?’
‘Kinderen krijgen doe ik het liefst met achtergrondmuziek,’ zei de Jakkepoes. ‘Het gaat makkelijker. En vrolijker. Denk daar zelf eens aan als het je mocht overkomen.’