‘Ik wou even... ik dacht... ik moet m’n koffertje halen... en m’n washandje en zo...’

‘Wat nou?’ riep de zuster. ‘Waar heb je die dan nog voor nodig? Wat moet je als kat met een koffer?’

‘Ik dacht... misschien teruggeven... ergens neerzetten...’ stamelde Minoes.

‘Maak het niet moeilijk,’ zei haar zuster wrevelig.

‘Maar ik moet toch even afscheid nemen?’

‘Afscheid nemen? Van wie? Van je baas? Ben je gek, dan wil hij je misschien niet laten gaan. Hij sluit je op.’

‘Laat me dan tenminste even de Jakkepoes goeiendag zeggen...’ riep Minoes ongelukkig. ‘En even uitleggen wat er gebeurt... Het is maar vier daken verder.’

‘Wacht hier op me... ik zal het even voor je doen...’ siste de zuster. ‘Anders laat je je weer overhalen. Blijf hier zitten. Ik zoek de Jakkepoes op daar bij jullie in de goot.’

Ze ging, over de schemerige daken, ze liep voorbij het dakraam van Bibi naar de goot van Tibbe.

Toen ze terugkwam zei ze: ‘Je moet de groeten hebben.’

‘Van wie?’ vroeg Minoes snel.

‘Niet van je baas,’ zei de zuster. ‘Ik heb hem wel gezien, hij stond voor het raam en ik ben ‘m gauw gesmeerd. Maar de groeten van de Jakkepoes. Ze hoopt dat je gauw eens langskomt als je weer een staart hebt. Ze zegt dat ik heel veel op je lijk!’

Nu was het ochtend en zonnig.

Al urenlang zat Minoes in een schuurtje in de achtertuin van het huis aan de Emmalaan. Naast de grasmaaier. Een beetje rillerig was ze nog, meer van de spanning dan van de kou. Maar straks heb ik een pels, dacht ze. Straks als het gelukt is.

Het was nog altijd niet gelukt. Haar zuster had nog geen boslijster kunnen vangen.

‘Duurt het nog lang?’ vroeg Minoes door de halfopen deur van het schuurtje. ‘De zon schijnt al.’

‘Ja, nou moet je me vooral haasten!’ zei de zuster bits. ‘Dat helpt reusachtig, als je me haast... Maar ik ga loeren in de voortuin.’

Van het schuurtje uit kon Minoes de achterkant van het huis zien, waar ze was geboren en waar ze had gewoond als jonge poes.

Straks zou ze daar weer naar binnen mogen en een schoteltje melk krijgen en geaaid worden. En als ze ging spinnen zou niemand zeggen: ‘Foei, juffrouw Minoes.’

Hier in de tuin kende ze iedere boom en iedere struik.

Vroeger had ze op dat gazon kikkers gevangen en een keer een mol. Ze had in het bloemperk gekrabd. Een kuiltje gemaakt tussen de begonia’s waar ze dan boven ging zitten met een bibberend staartje en peinzende oogjes, zoals een kat dat doet.

En dan lekker het kuiltje weer dichtkrabben als je klaar bent. Ze voelde zich meer en meer kat. Hier zou het lukken, ze voelde het heel zeker. Heel gauw al...

Toen schrok ze op door een ontzettend gepiep.

Haar rode zuster kwam aanlopen. Ze had een van de boslijsters te pakken en ze kwam uit de voortuin. Op dat ogenblik stond Tibbe met Bibi voor de heg van het huis, maar dat wist Minoes niet. Triomfantelijk kwam haar zuster aandraven.

Omdat ze haar bek vol boslijster had, kon ze niets zeggen maar in haar ogen stond te lezen: Hoe heb ik ‘m dat geflikt?

De vogel piepte en schreeuwde en fladderde machteloos in de wrede bek van de zuster. Een ogenblik dacht Minoes: Ha, llekkerr!

Maar toen haar rode zuster vlakbij was, gaf Minoes haar een harde klap en schreeuwde: ‘Laat los!’

Verschrikt liet de zuster haar prooi los. De boslijster vloog onmiddellijk weg, eerst scheef en wankelig... toen rechtuit naar boven, kwetterend de vrijheid in.

Dat is het toppunt,’ zei de rode zuster zacht en dreigend.

‘Het... het spijt me...’ zei Minoes. Ze schaamde zich erg.

Dit moest er nog net bijkomen,’ siste de zuster nijdig. ‘Een hele nacht... een hele nacht ben ik voor je bezig. Eindelijk vang ik... met inzet van al mijn krachten en al mijn vernuft... vang ik een zeldzame boslijster. Omdat ik weet dat het je laatste kans is... omdat je mijn zuster bent en kijk nou!

‘Ik kon het niet helpen...’ stamelde Minoes. ‘Ik dacht er niet bij na.’

‘Je dacht er niet bij na! Dat is een mooie opmerking. Na alles wat ik voor je doe... sla jij die vogel uit m’n bek. Ha!

‘Het gebeurde voordat ik er erg in had...’ jammerde Minoes. ‘En er is er nog een... zei je niet dat er twee waren?’

‘Je gelooft toch niet dat ik nog een keer op jacht ga voor je?’ De zuster was nu buiten zichzelf van woede.

‘Weet je wat jij bent? Je bent een mens! Je bent net als die vrouw van me. Die vrouw van ons, want het was vroeger jouw vrouw ook. Ze eet wel kip, maar o wee, als wij een vogeltje te pakken hebben. Dan slaat ze ons de vogel uit de bek. Weet je nog? Toen je hier nog woonde... weet je nog dat we het er vaak over hadden? Woedend was je dan. De huichelaarster, riep je dan. Zelf kip eten en ons vogeltje afpakken.’

‘Ik weet het nog, zei Minoes.

‘Waarom doe je dan nou net zo?’

‘Ik weet het niet. Ik denk dat ik veranderd ben.’

Te veel veranderd,’ zei de rode zuster. ‘Met jou komt het nooit meer goed. En nou is het uit, je bent m’n zuster niet meer. Ga weg. Ga m’n tuin uit, voorgoed. En pas op, als ik je ooit weer hier zie!’

Перейти на страницу:

Похожие книги