‘En dan was ze verder heel boos over dat stukje van je in de krant,’ zei meneer Van Dam. ‘Maar we weten nu allemaal dat je groot gelijk had. Het was waar. Zojuist heb ik gehoord dat het Ellemeet was die de haringman aanreed. En de politie heeft eindelijk een paar getuigen gevonden.’
‘O,’ zei Tibbe. ‘Dat is mooi. Ik heb geen sigaretten want ik rook niet, maar wilt u misschien een pepermuntje?’
‘Heel graag,’ zei meneer Van Dam. ‘Je had toch ook een eh... een secretaresse... ergens...’ Hij keek vaag rond.
‘Ja,’ zei Tibbe, ‘maar ze is er nu niet. Ze zit op het dak.’
‘Aardige jonge poesjes heb je,’ zei meneer Van Dam. ‘Ik zou er graag eentje van hebben.’
‘O dat kan, als ze wat groter zijn,’ zei Tibbe.
‘Nee, het kan niet. Want mijn vrouw houdt niet van katten. Dus dan houdt alles op. Maar
‘Dat is geweldig...’ zuchtte Tibbe.
Hij had het zo graag dadelijk aan Minoes willen vertellen, maar Minoes was er niet. En meteen toen meneer Van Dam de trap af was gegaan, werd er getelefoneerd.
Het was Tibbes baas.
Of hij dadelijk even langs wou komen.
Een half uur later zat hij weer op het bekende plekje voor het buro in de kamer van zijn baas. En de Redactiekat zat er ook weer en knipoogde.
‘Het ziet ernaar uit dat je gelijk hebt gehad, Tibbe,’ zei de Hoofdredacteur. ‘Wat je geschreven hebt was
‘Natuurlijk was het waar,’ zei Tibbe. ‘Anders had ik het niet geschreven.’
‘Wacht eventjes...’ zei de baas. ‘Ik blijf erbij dat je geen enkel bewijs had. En je mag nooit iets schrijven als je geen bewijzen hebt. Je hebt er dus toch verkeerd aan gedaan. Laten we hopen dat je dat voortaan niet meer doet.’
Tibbe keek op. ‘Voortaan?’ vroeg hij.
‘Ja. Want ik hoop dat je weer gewoon wil doorgaan bij ons aan de krant. Dat is toch zo?’
‘O ja, dolgraag,’ zei Tibbe.
‘Goed, dat is dan afgesproken. En... o ja, Tibbe... voor je weggaat nog even dit: je hebt in lange tijd niets over katten geschreven. Het
‘Fijn,’ zei Tibbe.
Direct toen het gesprek was afgelopen glipte de Redactiekat het raam uit en haastte zich de daken op om het nieuws aan Minoes te vertellen.
‘Je baas is terug bij de krant!’
Minoes zuchtte van opluchting.
‘En nu kun je dus wel weggaan,’ zei de kat.
‘Weggaan? Waar naar toe?’
‘Wel,’ zei de Redactiekat. ‘Je zuster wil je toch terug hebben? Je mag toch weer naar je ouwe huis?’
‘Ik weet het niet...’ zei Minoes en ze raakte helemaal in de war. ‘Wie zegt dat?’
‘Dat heb ik gehoord onderweg... een paar katten zeiden het... heb je je zuster nog niet gesproken?’
‘Nee,’ zei Minoes.
‘Dan komt ze binnenkort wel naar je toe. Om je te halen.’
‘Maar ik wil niet,’ zei Minoes. ‘Ik heb toch een baas. En hij heeft me nog altijd nodig. Hoe moet hij anders aan nieuws komen?’
‘Hij heeft je niet meer nodig,’ zei de Redactiekat. ‘Hij is zo veranderd! Helemaal niet meer verlegen. Hij durft tegenwoordig alles. Heb je dat dan niet gemerkt?’
‘Ja,’ zei Minoes. ‘Het is waar. Hij durft naar alle mensen toe te stappen en alles te vragen. Omdat hij zo kwaad was op Ellemeet is hij moedig geworden. Hij heeft Leren Durven.’
Op weg naar de zolder praatte Minoes even met de Jakkepoes, die ook dadelijk begon over de zuster.
‘Je zuster vraagt of je eens langskomt,’ zei de Jakkepoes. ‘Ik heb haar zelf niet gesproken, maar de boodschap werd rondverteld. Ik zou maar eens gaan, als ik jou was.’
‘Ja...’ zei Minoes aarzelend.
‘Ik hoor dat ze een middeltje heeft om je te genezen.
‘Ik eh... Ik weet het niet meer...’ zei Minoes. Ze vond Tibbe in z’n woonkamer, uitgelaten van vreugde.
‘M’n baan terug en m’n huis terug!’ riep hij. ‘We gaan het vieren met een heleboel gebakken visjes.’ Door zijn blijdschap merkte hij niet op hoe zwijgzaam Minoes was. Zwijgzaam en peinzend en allerminst vrolijk.
Hoofdstuk 17
Tibbe werd wakker door een donzig pootje dat over z’n gezicht streek. Het was Fluf.
Tibbe keek op z’n wekkertje. ‘Kwart over drie in de nacht... Fluf, waarom maak je me wakker. Ga gauw weer op m’n voeteneind liggen.’
Maar Fluf mauwde dringend.
‘Heb je iets te zeggen? Moet je me iets vertellen? Je weet toch dat ik je niet versta. Ga maar naar Minoes. Die zal nu wel in haar doos liggen.’
Maar Fluf hield niet op en mauwde net zo lang tot Tibbe opstond.
Minoes lag niet in haar doos. Ze moest dus nog op het dak zijn. Het begon al licht te worden. De kleine katjes speelden in de berghoek en Fluf riep hem duidelijk mee naar het dakraam in de keuken.
‘Wat is er toch? Moet ik naar buiten kijken?’
Tibbe boog zich uit het raam en keek uit over de daken. Op het schuine dakje vlakbij zaten twee katten. De ene was de Jakkepoes. De ander was een prachtige grote rode poes met een wit befje en een wit puntje aan haar staart.
Tibbe boog zich verder naar buiten en het raam piepte. De rode poes keek hem aan.