Hij schrok zo dat hij bijna zijn evenwicht verloor en zich snel moest vastgrijpen aan het kozijn. Het was Minoes.
De ogen van Minoes die hij zo goed kende. En helemaal het gezichtje van Minoes, maar nu
Hij wilde roepen:
De Jakkepoes bleef zitten. Ze zwaaide even met haar staart en keek geheimzinnig met haar gele ogen.
Een beetje duizelig ging Tibbe naar binnen, zette zich op de bank en beet op z’n nagels.
‘Onzin...’ zei hij. ‘Nonsens. Wat haal ik me nou in m’n hoofd? Straks komt juffrouw Minoes gewoon weer terug.’
Fluf bleef om hem heen draaien en probeerde hem aldoor iets te vertellen. Nog nooit had hij zo graag
‘Wat wou je zeggen, Fluf. Is ze weer een poes geworden?’
‘Ach, onzin...’ zei hij weer. ‘Ik droom nog half. Ik ga weer naar bed.’
Hij probeerde weer te slapen, maar het lukte niet. Hij lag te wachten... Meestal kwam Minoes thuis zodra het licht werd. Dan ging ze in haar doos. Nu kwam ze niet en hij werd steeds ongeruster. Eindelijk stond hij op om een kop koffie te zetten.
Zes uur in de ochtend. Minoes was niet thuisgekomen.
Tibbe ging kijken of haar spulletjes er nog waren. Haar washandje en tandenborstel en zo. Het was er allemaal. Ook haar koffertje stond in de berghoek. Gelukkig.
Gelukkig? Waarom gelukkig? Als ze een kat is geworden heeft ze dat toch immers niet nodig.
Ik lijk wel gek. Wat haal ik me toch allemaal voor larie in m’n hersens.
Om kwart over zes werd er gebeld.
Ze belt aan! dacht Tibbe. Ze komt langs de voordeur.
Maar het was Minoes niet. Het was Bibi die de trap op kwam.
‘Ik ben wel erg vroeg, Tibbe,’ zei ze. ‘Maar ik was ook zo geschrokken. Ik keek uit mijn raam vanmorgen... ik kijk ook uit over daken, net als jij... en ik heb Minoes gezien. Ze kwam langs.’
‘Ja?’ zei Tibbe. ‘En...’
Bibi zweeg even en keek hem radeloos aan. ‘Ga nou door, Bibi...’
‘Ze is weer poes,’ zei Bibi. Ze zei het aarzelend. Ze was bang dat Tibbe haar uit zou lachen. Maar Tibbe bleef ernstig. Hij zei wel: ‘Kom nou... Bibi, wat een onzin...’ Maar hij zei het zonder overtuiging.
‘’t Is echt waar,’ zei Bibi.
‘Ik geloof dat ik haar ook gezien heb,’ zei Tibbe. ‘Ik wou haar roepen maar ze liep weg. Waar zou ze zijn?’
‘Ik denk dat ze naar haar ouwe huis is,’ zei Bibi. ‘Naar haar eigen tuin.’
‘Wat voor eigen tuin?’
‘In de Emmalaan. Ze heeft me een keer verteld dat ze thuishoorde in de Emmalaan. In een huis met een goudenregenstruik naast het terras. Toen ze nog kat was, woonde ze daar.’
Fluf begon weer te miauwen.
‘Ik versta het niet,’ zei Bibi. ‘Maar hij zegt vast ook, dat het zo is. Wat moeten we doen, Tibbe?’
‘Niets,’ zei Tibbe. ‘Wat moeten we doen?’
‘Erheen gaan,’ zei Bibi. ‘Naar de Emmalaan. Kijken of we haar zien.’
‘Ach nee... wat een onzin,’ zei Tibbe.
Maar tien minuten later liepen ze samen op straat, in de vroege ochtend.
Het was een heel eind weg en ze moesten ook nog even zoeken om de Emmalaan te vinden. Het was een klein krom laantje met witte huizen en grote voortuinen.
‘Ik zie nergens een rooie poes,’ zei Tibbe. ‘Ik zie ook nergens een goudenregen.’
‘Die moet aan de achterkant zijn,’ zei Bibi. ‘Ik loop even door de achtertuinen. Het is nog zo vroeg, er is nog niemand op.’
Het was erg stil in het laantje op dit vroege uur. Vogels zongen en bloesems schommelden in de wind. Tibbe wachtte op een hekje tot Bibi terug zou komen. Voor een van de villa’s stond een grote vuilnisbak. Het huis zelf was geen woonhuis meer, maar iets kantoorachtigs. Met zwarte letters stond op het hek:
En nu moest Tibbe denken aan iets dat Minoes hem verteld had: ze had als poes iets gegeten uit een vuilnisbak en daardoor was ze veranderd. Hij had erom moeten lachen maar nu dacht hij: wie weet... met al die moderne wetenschappelijke proeven... ze hadden zeker iets weggegooid wat mislukt was.
Bibi stond weer naast hem.
‘Dat huis moet het zijn,’ zei ze. Ze wees op de villa naast het instituut.
‘Daarachter staat een goudenregen. Maar een kat heb ik niet gezien. Misschien is ze naar binnen gegaan.
De rode poes stond in de voortuin. Onder een seringestruik.
Ze keek naar Tibbe en Bibi. Ze keek hun recht in de ogen. En weer zagen ze allebei de ogen van Minoes.
Maar het gruwelijke was dat de poes een lijster in haar bek hield. Een pasgevangen fladderende levende lijster.
Bibi schreeuwde en zwaaide met haar armen en in een oogwenk was de kat weggelopen met de vogel, tussen de struiken door naar de achterzijde van het huis.
‘Ik ga d’r achteran!’ riep Bibi maar Tibbe hield haar tegen.
‘Niet doen,’ zei hij. ‘Het vogeltje is misschien gewond en halfdood... dan is het beter om het maar zo te laten.’
Ze bleven samen voor de heg staan. Minoes was verdwenen met haar prooi en Bibi begon te huilen.