Ze kocht haring en bokking en makreel, van alles erg veel en toen ze betaald had, raakte ze nog even met haar hoofd de mouw van de haringman aan. Hij keek een tikkeltje verwonderd maar Minoes ging verder, op weg naar de bakker.
Ze kwam voorbij de school van meneer Smit. De ramen stonden open, ze hoorde kinderen zingen en ze kon de klas zien zitten. Bibi was er ook bij.
Nu kwam er een kat op het schoolhek zitten. De Schoolkat. ‘Even neussie-neussie...’ zei hij.
Minoes stak haar neus naar voren en voelde de koude roze neus van de Schoolkat tegen de hare. Dit was de manier waarop de katten hier in de stad elkaar begroetten, als ze geen ruzie hadden.
‘Als je me een stukje vis geeft,’ zei de Schoolkat, ‘dan vertel ik je een nieuwtje voor de krant.’
Minoes gaf hem wat.
‘Geweldig nieuws,’ zei de Schoolkat. ‘De Zilvervloot is veroverd. Door Piet Hein. Zorg dat het in de krant komt.’ ‘Bedankt,’ zei Minoes.
Twee huizen verder zat Schele Simon, de Siamese kat van meneer Smit.
‘Geef me een stukje vis,’ zei hij, ‘dan zal ik je iets vertellen.’
Toen hij het stukje te pakken had, zei hij: ‘Je moet nooit luisteren naar de Schoolkat. Hij zit altijd op school bij de geschiedenisles. Hij vindt het spannend en denkt dat het allemaal
‘Dat begreep ik wel,’ zei Minoes. ‘Maar wat wou je me vertellen?’
‘
‘Het is jullie alleen maar om de vis te doen,’ zei Minoes. ‘Maar ik heb gelukkig een heleboel bij me.’
Nu kwam ze voorbij de fabriek. Het was de Deodorantfabriek. Hier werden de spuitbussen met geurtjes gemaakt en het rook er naar vieze viooltjes. Lang niet zo lekker als bij de haringkar.
Minoes wilde haastig doorlopen, maar de kat van de fabriek kwam naar haar toe. De Deodorantkat was een zoon van de Jakkepoes. Hij rook heel erg naar viooltjes.
‘Je hebt zeker nieuws voor me, als ik je vis geef,’ zei Minoes.
‘Hoe raad je het zo?’ zei de kat.
‘Je kunt een beetje makreel krijgen.’
‘Ten eerste,’ zei de Deodorantkat, ‘is de aardigste kantinejongen van de fabriek er zojuist uit getrapt. Daar staat ie. Hij heet Willem. Erg jammer want hij was altijd zo aardig voor me en aaide me iedere dag.’
‘Waarom is hij weggejaagd?’ vroeg Minoes.
‘Hij kwam altijd te laat.’
‘Ja, jammer,’ zei Minoes. ‘Maar het is geen nieuwtje voor de krant.’
‘O niet? Goed, dit was dan ook Ten Eerste. Nu komt Ten Tweede: er zijn plannen om onze fabriek uit te breiden. Ik heb vandaag bij een Geheime Vergadering gezeten. Deze hele buurt wordt één enorme geurtjesfabriek.’
‘Dat is echt nieuws,’ zei Minoes. ‘Dank je wel.’
‘Maar de vergunning is er nog niet!’ riep de kat haar achterna. ‘Die moet van de Wethouder komen.’
Veel mensen had Minoes nog niet ontmoet op haar boodschappentocht. Katten wel en ze kwam er nog een stuk of wat tegen op weg naar de bakker.
De bakkersvrouw stond achter de toonbank en er waren een paar dames in de winkel. Minoes wachtte netjes haar beurt af, maar terwijl ze stond rond te kijken, kwam de Bakkerspoes Leent je luid mauwend de winkel in, uit het woonhuis.
Ze komt op mijn vis af, dacht Minoes eerst, maar toen verstond ze wat Leentje vertelde.
‘Mauw mauw... gauw gauw...’ riep de poes. ‘Vertel het aan de Vrouw... Gauw...’
Minoes ging haastig naar de toonbank en zei: ‘Uw kleine jongetje Jaapje heeft de benzinefles te pakken. Boven, in uw badkamer.’
De bakkersvrouw keek haar verschrikt aan, liet de zachte puntjes op de toonbank vallen zonder een woord te zeggen en rende het woonhuis in.
Minoes voelde de blik van de twee vreemde dames in de winkel. Ze werd erg verlegen en was het liefst gauw weggelopen, maar nu kwam de bakkersvrouw terug.
‘Het was zo,’ hijgde ze. ‘Ik kom boven en daar staat mijn Jaapje van drie... met de benzinefles... hij stond eruit te schenken... je kunt ze ook geen moment alleen laten... Dank u wel dat u gewaarschuwd hebt juffrouw...’
Plotseling hield ze op en keek Minoes aan.
‘Hoe wist u dat eigenlijk?’ vroeg ze. ‘U kon toch niet van hieruit in mijn badkamer kijken?’
Minoes wou zeggen: ‘Van uw poes Leentje...’ maar de dames keken zo. Ze hakkelde: ‘Ik... had er zo’n gevoel van.’
‘In elk geval bedankt. Wie was er aan de beurt?’
‘De juffrouw mag wel voorgaan,’ zeiden de twee dames.
Minoes kocht brood en beschuit. En ze betaalde.
Toen ze de winkel uit was, werd er dadelijk achter haar rug gepraat: ‘Dat is die juffrouw van meneer Tibbe...’
‘Het is zijn secretaresse... en ze slaapt in een doos...’
‘En ze zit ‘s nachts op de daken...’
‘Een hele vreemde juffrouw...’
‘Wel,’ zei de bakkersvrouw, toen ze het allemaal gehoord had, ‘het mag dan een vreemde juffrouw zijn,
Intussen zat Tibbe te wachten.
Het was nu meer dan een uur geleden dat Minoes de deur uit was gegaan om boodschappen te doen. Enkel brood en vis, dat kon toch zo lang niet duren.
Hij zat aan zijn schrijftafel en beet ongerust op z’n nagels. Juist toen hij begon te overwegen of hij haar moest gaan zoeken, ging de telefoon.
‘Hallo,’ zei Tibbe.