‘Ja meneer Tibbe, u spreekt met mevrouw Van Dam. Van beneden. Weet u wel? Ik bel vanuit een telefooncel. Uw secretaresse zit in een boom. En ze kan er niet meer uit.’

‘O, dank u wel,’ zei Tibbe.

‘Tot uw dienst.’

Te laat riep hij nog: ‘In welke boom?’ Maar ze had afgebeld.

‘Daar hebben we ‘t weer! Dat gedonder!’ riep Tibbe en hij draafde de straat op.

Eerst maar naar de Groenmarkt, daar zijn de meeste bomen.

Toen hij er aankwam, zag hij het al meteen. Er stond een heel groepje mensen omheen. Het was niet dezelfde boom van toen, het was een andere, nog hogere. Bibi stond er ook bij want de school was net uit.

‘Ze werd achterna gezeten door een hond,’ zei Bibi.

‘Ja, ja,’ zuchtte Tibbe. Hij kende het. ‘Hoe krijgen we haar weer naar beneden?’

‘De haringman is al bezig,’ zei Bibi. ‘Hij zit al bovenin. Hij helpt haar eruit.’

Onder grote belangstelling werd Minoes uit de takken geholpen, eerst op het dak van een groenteauto en daarna op straat.

‘Hartelijk bedankt,’ zei ze tegen de haringman en ze rook nog een laatste keer aan zijn mouw. ‘O, mijn mandje moet hier nog ergens staan.’

Tibbe pakte het op. Er zat brood in en beschuit en nog een heel klein beetje vis.

‘We moeten er toch iets aan doen,’ zei Tibbe toen ze thuis waren ‘Dit kan heus niet langer zo, juffrouw Minoes.’ 2e zat in een hoekje en keek berouwvol. ‘Het was dezelfde hond weer van toen,’ zei ze. ‘Hij heet Mars.’

‘Het gaat niet alleen om dat bomen-klimmen,’ zei Tibbe. ‘Het gaat om al die katse eigenschappen... U zult dat allemaal moeten afleren...’

‘Het was wel fijn om door de haringman gered te worden,’ zei Minoes peinzend.

Tibbe werd nog kribbiger maar voor hij iets kon zeggen riep ze: ‘O ja, ik heb ook nog nieuws gehoord onderweg.’ Ze vertelde hem over de uitbreiding van de geurtjesfabriek. Het kalmeerde hem een beetje; hij had weer iets te schrijven.

Hoofdstuk 7

Jezuster is geweest

Toen Minoes de volgende nacht op het dak kwam, was de Jakkepoes er niet. Er zat een andere kat op haar te wachten. De Schoolkat.

‘Je hebt de groeten,’ zei hij. ‘Ze kan niet komen.’

‘Heeft ze kindertjes?’

‘Wel een stuk of zeventien geloof ik,’ zei de Schoolkat. ‘Waar zijn ze?’

‘Weet je het parkeerterrein achter het pompstation? Je kunt het best door de tuintjes gaan tot aan de grote meidoorn en dan door de heg. Op dat parkeerterrein staan een paar verlaten caravans. In een daarvan woont ze. Tijdelijk.’

‘Ik ga dadelijk naar haar toe,’ zei Minoes.

‘Geef me een stukje vis voor je gaat.’

‘’t Is niet voor jou bedoeld, het is voor de Jakkepoes. Ik heb ook melk bij me.’

‘Melk hoef ik niet. Als je me een stukje vis geeft vertel ik je een nieuwtje. Voor de krant.’

Minoes gaf hem een heel klein stukje.

‘De Geuzen zijn binnen de Poort,’ zei de Schoolkat. ‘Zorg vooral dat het gauw in de krant komt.’

‘Bedankt,’ zei Minoes. Ze begreep dat hij weer bij de geschiedenisles had gezeten.

Door de nachtelijke tuintjes kwam ze bij de garage waar overdag auto’s werden gerepareerd. De garage was dicht maar het tankstation was open; er scheen licht en er was radiomuziek, de hele nacht.

Blijkbaar had de Jakkepoes haar zin gekregen. Achtergrondmuziek.

Het parkeerterrein daarachter was donker. En heel stil. Er stonden wat slapende auto’s en helemaal aan het eind een rijtje caravans.

Een gewoon mens zou in zo’n donkere nacht moeilijk de weg gevonden hebben maar Minoes, die zoveel katse eigenschappen had, kon uitstekend zien en ze vond de woning van de Jakkepoes.

Het was een oude verwaarloosde caravan. Er was een ruitje kapot; het gordijntje wapperde in de wind, de deur stond half open. Daarbinnen, op een oude deken lag de Jakkepoes. Onder haar lag een kluwen katjes.

‘Het zijn er zes!’ riep ze verwijtend. ‘Zes! Hoe bestaat het. Waar heb ik dat aan verdiend? Kun je ze zien? Ga’s onder me vandaan, tuig!’ zei ze tegen de kleintjes. ‘Kijk, nou kun je ze beter zien. Er is een rooie bij. Die lijkt sprekend op z’n vader, de Pompkat. En de rest zijn allemaal lappenkatten, zoals ik. En geef me nou wat te eten, ik sterf van de honger.’

Minoes knielde bij haar bankje en bekeek de zes kroelende jonkies.

Ze hadden hele kleine staartjes en blinde oogjes en hele kleine nageltjes. In de verte klonk vaag de radio.

‘Hoor je wel?’ zei de Jakkepoes. ‘Gezellig hè? Ik heb hier alle komfoor.’

‘Is het hier wel veilig?’ vroeg Minoes. ‘Van wie is de caravan?’

‘Van niemand. Hij staat al jaren leeg. Er komt nooit iemand. Ben je de Pompkat nog tegengekomen?’

‘Nee.’

‘Hij is nog niet een keer naar z’n kinderen komen kijken,’ zei de Jakkepoes. ‘Niet dat ik het zou willen, maar evengoed! En geef me nou de vis. Melk heb je ook bij je. In een flesje.

Wou je soms dat ik uit de fles dronk?’

‘Stil nou maar, ik heb een kommetje meegebracht.’

Terwijl de moederpoes de melk opslobberde, keek Mij noes om zich heen. ‘Ik zou me hier niet op m’n gemak voelen,’ zei ze. ‘Een parkeerterrein, dat betekent mensen. Veel mensen overdag.’

‘Wij staan in een stille hoek,’ zei de Jakkepoes.

‘Maar je kinderen zouden veel veiliger zijn op zolder bij meneer Tibbe.’

Перейти на страницу:

Похожие книги