‘Dag mevrouw Van Dam,’ zei Tibbe.
‘Dag meneer Tibbe. Neemt u me niet kwalijk dat ik zo maar bij u binnen loop...’
‘Helemaal niet, komt u binnen. Wilt u uw jas niet even uitdoen?’
‘Nee nee, ik kom maar een ogenblikje,’ zei mevrouw Van Dam terwijl ze het woonvertrek binnenkwam. Er was niemand behalve Tibbe.
‘Wat hebt u het hier toch aardig ingericht,’ zei mevrouw, terwijl ze overal goed rondkeek. ‘En dat leuke keukentje... en dat mooie uitzicht over de daken.’
‘Zal ik een kopje thee zetten?’
‘Nee dank u. Ik kwam eigenlijk alleen maar even aanwippen. Ik wou enkel zeggen dat ik altijd uw stukjes lees in de krant. Erge aardige stukjes... en dat is zeker de bergruimte... daar achter dat schot... ik mag zeker wel even rondkijken?’
‘Daar is alleen maar wat rommel,’ zei Tibbe. ‘Oude stoelen, oude dozen en zo...’
Maar ze glipte langs hem heen, vrolijk babbelend.
‘Ik vind dat altijd zo enig!’ zei ze. ‘Zo’n oude hoek van een oude zolder.’
Tibbe dwaalde hulpeloos achter haar aan. Nu was ze bij de grote kartonnen doos en ze boog zich voorover. Door die beweging kraakte de houten vloer onder haar gewicht.
Minoes werd wakker. Ze deed een oog open. Toen sprong ze met een krijs de doos uit.
Mevrouw Van Dam deinsde verschrikt achteruit. Woedende katteogen keken haar aan. Een hand met roze scherpe nageltjes kwam in haar richting en het wezen
‘Pardon...’ stamelde mevrouw Van Dam en deed haastig nog een paar stappen achteruit. Ze draaide zich om en wilde vluchten, maar Tibbe zei vriendelijk: ‘Mag ik u even voorstellen aan mijn secretaresse, juffrouw Minoes... En dit is mijn benedenbuurvrouw, mevrouw Van Dam.’
Schichtig keek mevrouw Van Dam om. Het vreemde schepsel was een gewone juffrouw die beleefd glimlachte.
‘Prettig met u kennis te maken,’ zei mevrouw Van Dam.
‘Wilt u niet nog even gaan zitten?’
‘Nee nee, ik moet nu echt weg. Ik vond het erg leuk om uw woninkje even te zien.’
Ze keek nog even naar de pleister op Tibbes neus en zei: ‘Tot ziens.’
Toen ze weg was, zuchtte Tibbe diep en zei: ‘De zolder is van haar. Ik heb de zolder van haar gehuurd.’ ‘Wat afschuwelijk!’ zei Minoes.
‘Ach nee... waarom afschuwelijk? Ik betaal gewoon huur. En verder hebben we niets met haar te maken.’
‘Dat bedoel ik niet,’ zei Minoes. ‘Ik bedoel: wat afschuwelijk... het zijn er zeker twintig!’
‘Twintig? Twintig wat?’
‘Katten.’
‘Twintig katten? Waar?’
‘Die jas...’ zei Minoes huiverend. ‘Die bontjas. Ik lag te slapen in mijn doos en ineens schrik ik wakker en daar staan twintig dooie katten voor me.’
‘O, vandaar dat u blies. Het scheelde maar weinig of u had haar gekrabd. U moet zich wat beter beheersen, juffrouw Minoes. Een dame krabben, enkel omdat ze een mantel van kattebont aanheeft, bah!’
‘Als ze weer hier komt, krab ik haar echt,’ zei Minoes.
‘Onzin. Ze heeft die mantel in een winkel gekocht en toen ze ‘m kocht waren die katten al lang dood. Het komt allemaal omdat u te weinig met mensen omgaat. U zit te veel op de daken. U bent te weinig op straat.’ ‘Ik was vannacht nog op straat.’
‘U moet meer
‘Goed. Maar ik wacht wel tot het donker is,’ zei Minoes. ‘Nee, dan zijn de winkels dicht.
‘Brood en beschuit moet u kopen,’ ging Tibbe door. ‘Ik ben bang.’
‘En de vis is op. Onderweg zou u even langs de haringman kunnen gaan. Hij heeft een stalletje op de hoek van de Groenmarkt.’
‘O,’ zei Minoes. ‘Misschien dat ik leer durven. Als ik eenmaal op straat ben.’
‘Vast wel,’ zei Tibbe. ‘Langzamerhand leert u durven. Alleen...’
‘Wat?’
‘Ik wou liever niet dat u de haringman kopjes geeft.’
Hoofdstuk 6
Met een boodschappenmandje aan haar arm liep Minoes over straat.
Behalve die eerste keer toen ze was komen aanlopen, had ze deze buurt nooit overdag gezien. Ze kende de stad eigenlijk alleen vanaf de daken en bij donker. En ze kende de achtertuintjes beter dan de straten en pleinen.
Ze had de neiging om te sluipen en zich telkens te verschuilen achter een geparkeerde auto of in een portiek. De mensen en het verkeer maakten haar erg onzeker.
‘Maar ik hoef niet te sluipen,’ zei ze tegen zichzelf. ‘Ik ben een juffrouw die boodschappen doet. Daar komt een hondje. Ik hoef niet te schrikken; het is trouwens maar een klein hondje... en ik mag niet tegen hem blazen. En laat ik vooral niet aan de vuilnisbakken ruiken. Ik doe boodschappen, zoals al die andere dames in de winkelbuurt.’
Van heel ver kon Minoes het haringstalletje ruiken op de Groenmarkt en ze liep harder en harder om er gauw te wezen.
En toen ze er dichtbij was, liep ze er eerst een paar keer in een wijde kring omheen, totdat ze ineens dacht: Ik mag visjes