‘En ik kom de tekening laten zien,’ zei Bibi. Ze rolde een groot papier uit en nu riepen Tibbe en Minoes tegelijk: ‘Dat is de Jakkepoes! Wat lijkt ze goed.’
‘Het is voor de tekenwedstrijd voor school,’ zei Bibi. ‘Ik kwam ‘m even laten kijken.’
‘Hij is prachtig,’ zei Tibbe en hij voelde weer een druppel bloed langs z’n gezicht glijden.
‘Als ik nu even een pleister ga zoeken in het douchehok,’ zei hij bars, ‘dan hoop ik dat u zich
Terwijl hij in het medicijnkastje rommelde hield hij z’n oren goed open. Ieder ogenblik kon er weer een nieuw getier losbreken.
Ik heb een secretaresse, dacht hij. Dat klinkt heel goed, het klinkt heel sjiek. Maar het is een secretaresse die de witte muizen van aardige kindertjes opvreet, als ze de kans krijgt.
Haastig ging hij weer naar binnen met een pleister scheef over z’n neus. En tot z’n grote verwondering waren ze dikke vrienden geworden in die korte tijd. Het doosje met de muis stond nog veilig op z’n buro.
‘Mag ik de zolder zien?’ vroeg Bibi. ‘De hele zolder?’
‘Natuurlijk,’ zei Tibbe. ‘Je mag overal rondlopen. Ik heb
Terwijl Tibbe achter z’n schrijftafel zat hoorde hij die twee fluisteren achter het zolderschot in de rommelhoek. Hij was erg blij dat Minoes een kameraadje had gevonden en toen Bibi eindelijk wegging, zei hij: ‘Kom je nog eens terug?’
‘Ja,’ zei Bibi.
‘Vergeet je bus niet. Ik heb er iets in gedaan.’
‘O ja,’ zei Bibi.
‘En vergeet je tekening niet.’
‘O ja.’
‘En vergeet je doosje niet met de hm... je weet wel.’ Hij durfde het woord muis niet te zeggen in tegenwoordigheid van z’n secretaresse.
‘O ja.’
‘En ik hoop dat je de eerste prijs krijgt!’ riep Tibbe haar nog na.
Beneden, in het huis onder de zolder, woonde mevrouw Van Dam.
Gelukkig had Tibbe een eigen voordeur en een eigen trap, zodat hij nooit door het benedenhuis hoefde als hij binnenkwam of uitging.
Die middag zei mevrouw Van Dam tegen haar man: ‘Leg die krant nou ‘s even neer. Ik moet met je praten.’
‘Waarover?’ vroeg haar man.
‘Het gaat over die bovenbuurman van ons.’
‘O, je bedoelt die jongeman? Die Tibbe? Wat is daarmee?’
‘Ik geloof dat hij iemand bij zich heeft.’
‘Wat bedoel je? Hoezo “bij zich heeft”?’
‘Ik geloof dat er een juffrouw bij hem
‘Nou, dat is dan gezellig voor ‘m,’ zei meneer Van Dam. En hij pakte z’n krant weer op.
‘Ja, maar ik geloof dat het een erge rare juffrouw is,’ zei z’n vrouw weer.
‘In elk geval gaat het ons
Even was het stil. Toen zei ze: ‘Ze zit aldoor op het dak.’
‘Wie?’
‘Die juffrouw, ‘s Nachts zit ze op het dak.’
‘Hoe weet je dat?’ vroeg meneer Van Dam. ‘Zit je zelf dan op het dak ‘s nachts?’
‘Nee, maar de buurvrouw kijkt wel eens uit haar dakraampje en ziet haar altijd zitten. Tussen een paar katten.’
‘Je weet dat ik niet van buurpraatjes hou,’ zei hij wrevelig. Hij ging door met lezen, terwijl zijn vrouw de voordeur opendeed want er werd gebeld.
Het was Bibi met haar collectebus.
‘Wilt u ook iets bijdragen aan het kado voor meneer Smit?’ vroeg ze.
‘Jazeker,’ zei mevrouw Van Dam. ‘Kom binnen en ga even zitten.’
Bibi zat met bungelende beentjes op een stoel, de bus op haar knie, de tekening onder haar arm en de muizedoos naast zich.
‘Vertel eens, ben je al boven geweest? Op de zolder?’ vroeg mevrouw Van Dam langs haar neus weg.
‘Ja,’ zei Bibi. ‘Bij meneer Tibbe en juffrouw Minoes.’
‘Juffrouw Minoes? Wie is dat?’ vroeg mevrouw Van Dam liefjes. En ze deed een gulden in de bus.
‘Zijn secretaresse.’
‘Zo zo.’
‘Ze slaapt in een doos,’ zei Bibi.
Nu keek meneer Van Dam even boven z’n brilleglazen uit. ‘In een doos?’
‘Ja, in een grote kartonnen doos. Ze kan er net in. Opgerold. En ze gaat altijd door het dakraam naar buiten, de daken op. En ze praat met katten.’
‘O,’ zei meneer Van Dam.
‘Ze kan met alle katten praten,’ zei Bibi, ‘omdat ze zelf een kat is geweest.’ ‘Wie zegt dat?’
‘Dat zegt ze zelf. En nou moet ik weg.’
‘Vergeet je bus niet,’ zei mevrouw Van Dam. ‘En hier, vergeet die rol papier niet. En je doosje.’
Toen Bibi weg was, zei ze: ‘Nou? Wat heb ik je gezegd? Is dat een rare juffrouw daar boven? Of niet soms?’
‘Een beetje vreemd,’ zei meneer. ‘Maar ik blijf erbij dat het ons
‘Hoor eens,’ zei ze. ‘Per slot is het onze zolder. Tibbe heeft die zolder van ons gehuurd. En ik wil wel eens weten wat er zich onder
‘Wat ga je doen?’ vroeg haar man.
‘Ik ga erheen.’
‘Zo maar? En wat zeg je dan?’
‘Dat weet ik nog niet. Ik verzin wel iets.’
Mevrouw Van Dam trok haar bontjas aan, hoewel het een warme voorjaarsdag was en hoewel ze maar twee stappen over straat moest.
Ze wilde aanbellen maar het hoefde niet want Bibi had de voordeur open laten staan. Mevrouw Van Dam ging de trap op. Het was een hoge steile trap en ze pufte in haar dikke pelsmantel.