‘Tja...’ zei meneer Ellemeet nog eens. ‘Ik zou het natuurlijk dolgraag doen, maar u weet... ik heb het zo verschrikkelijk druk. Ik zit al in zoveel verenigingen en in zoveel comités. Ik ben ook al voorzitter van de vereniging Kinderzorg...’

‘Er is niet zoveel werk aan verbonden,’ zei meneer Smit. ‘U hoeft er niet veel voor te doen. Het gaat meer om uw naam. Iedereen heeft zoveel vertrouwen in u.’

Meneer Ellemeet liep heen en weer door de kamer met z’n handen op z’n rug. Hij kwam heel dicht bij de plantenbak, keek even naar de goudvissen en daarna tuurde hij lang naar de plantjes.

Hij ziet me... dacht Minoes.

Maar hij trok enkel een dor blaadje van de geranium en zei: ‘Nou, goed dan.’

‘Prachtig, prachtig,’ riep meneer Smit. ‘Veel dank. U hoort nog verder van ons. Nu moet ik weer terug naar mijn

feest.’

Ze gingen de kamer uit en Minoes durfde weer adem te halen.

Ze kwam te voorschijn en zag in de vensterbank van het open raam een enorme zwarte kater. De kat van het hotel. De Monopoolkat.

‘Je zit in een verboden kamer,’ zei de kat. ‘Ik mag daar nooit in. Vanwege de goudvissen. Heb je ze gezien?’

‘Ik had er bijna eentje gevangen,’ zei Minoes. ‘Ik moet terug naar die zaal met al die mensen... maar ik ben bang.’

‘Je baas staat naar je uit te kijken,’ zei de Monopoolkat. ‘Aan de voorkant, op het terras. Als je door het raam klimt kun je buitenom. Dan hoef je niet meer door de mensen.’

Met een klein sprongetje was Minoes buiten.

‘Tot ziens,’ zei ze en liep naar de voorkant waar Tibbe heen en weer drentelde.

‘Juffrouw Minoes...’ begon hij streng.

‘Ik heb weer nieuws,’ zei ze.

Ze vertelde wat ze had afgeluisterd en Tibbe knikte dankbaar.

Maar toen ze thuis waren op de zolder, zei hij: ‘Ik geloof toch dat u er iets aan moet doen... al die katse eigenschappen... dat katse gedrag van u...’

‘Wat moet ik eraan doen?’

‘U zou eens naar een dokter moeten.’

‘Dat wil ik niet,’ zei Minoes. ‘Dokters geven prikken.’

‘Nee, ik bedoel niet naar een gewone dokter.’

‘Wat dan? Een dierenarts?’

‘Nee, ik bedoel een praatdokter. Er zijn dokters waar je naar toe gaat als je moeilijkheden hebt.’

‘Ik heb geen moeilijkheden,’ zei Minoes.

‘Nee, maar ik’ zei Tibbe.

‘Gaat u dan zelf naar een praatdokter.’

‘Mijn moeilijkheden komen door u, juffrouw Minoes. Door uw vreemde manieren. Het ging vanmiddag eerst zo goed bij de ontvangst. U gedroeg zich uitstekend... totdat u ineens tegen dat sleutelhangertje aan sloeg met uw po... met uw hand. Zo iets doet een secretaresse niet.’

Hoofdstuk 9

De praatdokter

Zo kwam het dat Minoes een dag later in de spreekkamer zat van dokter Schuld.

‘Mag ik eerst even uw naam?’ vroeg de dokter.

‘Juffrouw Minoes.’

‘Is Minoes uw achternaam? Of uw voornaam?’ ‘Het is mijn roepnaam,’ zei Minoes. ‘En wat is dan uw achternaam?’

Ze zweeg erg lang en keek naar een vlieg die langs het raam zoemde. Toen zei ze: ‘Ik geloof dat ik er geen heb.’

‘Hoe heette uw vader?’ vroeg de dokter. ‘De rooie van de overkant.’

‘Wel, dan heet u ook zo.’ De dokter schreef op het kaartje: ‘Mejuffrouw M. de Rooie van de Overkant.’

‘En vertelt u eens, wat zijn uw klachten.’

‘Klachten?’ vroeg Minoes. ‘Ik heb helemaal geen klachten.’

‘Maar u wou mij toch spreken. Daar moet toch een reden voor zijn?’

‘Ja. Mijn baas zegt dat ik te kats ben.’

‘Te wat?’

‘Te kats. En ik word aldoor katser en katser, zegt hij.’

‘Bedoelt hij misschien dat u iets weg hebt van een kat?’

‘Dat is het,’ zei Minoes.

‘Wel,’ zei de dokter. ‘Laten we beginnen bij het begin. Vertelt u eens iets over uw ouders. Wat deed uw vader?’

‘Hij zwierf,’ zei Minoes. ‘Ik heb hem nooit gekend. Ik kan niets over hem vertellen.’

‘En uw moeder?’

‘Mijn moeder was grijsgestreept.’

‘Pardon?’ De dokter keek haar aan over zijn brilleglazen.

‘Ze was grijsgestreept. Ze leeft niet meer. Ze is overreden.’

‘Overleden,’ mompelde de dokter en hij schreef het op: Moeder Overleden.

‘Niet overleden, overReden, zei Minoes.

‘Wat vreselijk,’ zei de dokter.

‘Ja, ze werd verblind door de koplampen. Van een truck met oplegger, maar het is al lang geleden.’

‘Wel, gaat u verder. Broers of zusters?’

‘We waren met ons vijven.’

‘En u was de oudste?’

‘We waren alle vijf even oud.’

‘Een vijfling dus? Dat gebeurt niet veel.’

‘Jawel,’ zei Minoes. ‘Het gebeurt om de haverklap. Drie van ons zijn weggegeven toen we zes weken waren. Ik bleef over met m’n zusje. De vrouw vond ons het liefste.’

Ze glimlachte teder bij de herinnering en in de stilte die volgde hoorde de dokter haar duidelijk spinnen. Het klonk erg vredig. Hij hield erg van poezen, hij had er zelf ook eentje, Annelieze, boven in zijn woonhuis.

‘De vrouw?’ vroeg hij. ‘Was dat uw moeder?’

‘Nee,’ zei Minoes. ‘De vrouw was de Vrouw. Ze zei dat ik het mooiste staartje had.’

‘Aha,’ zei de dokter. ‘En wanneer bent u dat kwijtgeraakt?’

‘Wat kwijtgeraakt?’

‘Dat staartje.’

Ze keek hem peinzend aan en ze leek zo erg op een kat dat hij begon te denken: Misschien heeft ze het nog. Misschien zit het onder haar rokje, opgerold.

Перейти на страницу:

Похожие книги