‘Ik heb een keer iets uit een vuilnisbak gegeten,’ zei Minoes. ‘De vuilnisbak van een instituut. En daardoor is het gebeurd. Maar ik heb nog zoveel katse eigenschappen. Ik spin en ik blaas. En ik klim in een boom als er een hond aankomt.’
‘En is dat een bezwaar? Hebt u daar last van?’ ‘Ik niet,’ zei Minoes. ‘Maar mijn baas vindt dat het niet te pas komt.’ ‘Wie is uw baas?’
‘Meneer Tibbe van de krant. Ik ben zijn secretaresse. Het gaat erg goed maar ik voel me nog helemaal kat.’
‘En is dat een bezwaar?’ vroeg de dokter.
‘Het is een beetje ingewikkeld,’ zei Minoes. ‘En het is soms erg verwarrend om twee wezens door elkaar te zijn. Halfpoes en halfmens.’
‘Ach...’ zei de dokter. ‘Het is ook erg verwarrend om
‘O ja?’
‘Jazeker.’
Daar had Minoes nooit over nagedacht. Ze vond het een interessante gedachte. ‘Toch zou ik graag
‘En wat wilt u het liefste?’
‘Dat is het juist... wist ik het maar. Ik twijfel zo. Soms denk ik: O, wat zou ik graag weer poes worden... Met mijn staart omhoog onder de goudenregen door kruipen, zodat de bloesems in je vacht hangen... en op daken zingen met andere katten en op jacht gaan in een tuintje als de jonge spreeuwen uitvliegen. Soms verlang ik er zelfs naar om op de bak te gaan. De kattebak. Maar aan de andere kant... een juffrouw zijn is ook wel prettig.’
‘U moet maar even afwachten wat het wordt,’ zei de dokter.
‘Ik dacht...’ zei Minoes. ‘Misschien zou u me een drankje kunnen geven. Of druppeltjes. Waardoor...’
‘Waardoor u wat? Waardoor u weer kat wordt?’
‘Nee,’ zei Minoes. ‘Ik twijfel zo.’
‘Dan moet u eerst een besluit nemen,’ zei de dokter. ‘En komt u dan nog eens terug. Ik heb geen drankjes of druppeltjes voor u, maar praten kan altijd helpen.’
Er werd op de deur gekrabbeld. Het was de Dokterspoes Annelieze.
‘Mijn kat wil erin,’ zei de dokter. ‘Maar ze weet best dat het niet mag als ik een patiënt heb.’
Minoes luisterde even naar het gemauw buiten de deur.
‘Of u even boven wil komen,’ zei ze. ‘Uw vrouw staat de kip te grillen.’
‘Hoe weet u dat we kip eten?’ vroeg de dokter.
‘... en nou heeft ze haar duim verbrand aan de grill... en of u dadelijk komt,’ zei Minoes. ‘Dan ga ik nu maar, dokter en ik kom terug als ik weet wat ik wil.’
De dokter holde naar boven, naar zijn woonhuis. Zijn vrouw had een grote blaar op haar duim en was woedend op de grill.
‘Hoe wist je dat er wat
Onderweg naar huis hoorde Minoes het nare bericht over de Jakkepoes. Het was Schele Simon die het haar vertelde.
‘Wat ontzettend,’ zei Minoes. ‘Haar poot, zei je? Heeft ze ‘m gebroken? Was het een auto? En waar is ze dan nou? Zijn haar kinderen alleen?’
‘Vraag niet zoveel tegelijk,’ zei Schele Simon. ‘Misschien valt het best mee, ik heb het van de Pompkat gehoord en die overdrijft altijd zo. Ze is geslagen.’
‘Geslagen?’
‘Met een fles, door iemand. En met veel moeite heeft ze zich naar huis gesleept, naar de caravan en naar haar kindertjes.’
‘Ik ga meteen naar haar toe,’ zei Minoes. ‘Ik zal eerst wat eten voor haar halen en wat melk.’
Ze vond de Jakkepoes in de caravan bij haar kleine katjes, norser en kwaaier dan ooit.
‘Wat is er gebeurd?’ vroeg Minoes en ze knielde bij het bankje. ‘Is het erg? Is je poot kapot? Is er bloed?’
‘Ze hebben me kreupel geslagen,’ zei de zwerfkat. ‘Met een volle fles wijn. Ga je gang! Heb je’ ‘t ooit zo zout gegeten? Misschien moet ik het nog een eer vinden om met een fles boergonje op m’n mieter te krijgen!’
‘Laat eens voelen of er iets gebroken is,’ zei Minoes.
‘Blijf van me lijf!’ krijste de Jakkepoes.
‘Ik wou enkel maar even voelen.’
‘Niks te voelen. Handen thuis!’
‘Maar als je een poot hebt gebroken dan moet er toch iets gedaan worden?’
‘’t Zal wel overgaan. Het hoort er allemaal bij.’
‘Maar ik zou je ergens kunnen brengen... bij ons op de zolder.’
‘Ik wil nergens gebracht worden. Ik crepeer nog liever. Ik lig hier goed.’
Minoes zuchtte en gaf de Jakkepoes melk en wat vlees.
‘Dat komt net op tijd,’ zei de kat. ‘Een dorst dat ik had. Ik drink altijd bij de kraan van het parkeerterrein. Daar ligt een plasje water onder. Maar ‘t is een eind weg en ik loop zo moeilijk...’
Toen ze genoeg had gedronken zei ze: ‘’t Was m’n eigen stomme rotschuld.’ ‘Vertel dan toch ‘s wat er gebeurd is.’