‘Ik liep door de dure tuinen,’ zei de Jakkepoes. ‘Ik kwam langs die grote witte villa met al die rozen. Meestal durf ik die tuin niet in, want ze hebben een hond. Maar deze keer zat de hond opgesloten in de garage. Hij blafte ontzettend maar ik trok me daar lekker niks van aan, want hij kon toch niet bij me komen. De tuindeuren stonden open en ik rook hele lekkere luchtjes daarbinnen. En ik had honger. Want met zes van die kroelende piepers blijf je hongerig, reken maar. Goed, ik kijk naar binnen. En er is helemaal niemand in de kamer. Er stond een grote gedekte tafel met een bos rozen. Nou geef ik niks om rozen, maar ik rook zalm. En wat doe je dan? Je neemt je kans waar.’
‘Je ging naar binnen?’
‘Natuurlijk ging ik naar binnen, ik sprong op tafel en ik stond meteen met m’n voeten in de zalm. En toen zag ik dat er nog zoveel
‘En toen?’
‘En toen! Ik werd hartstikke duizelig, weet je dat? Duizelig van al dat eten. Ik wist niet waar ik het eerst aan moest beginnen. Stommerd dat ik was.
‘Ga nou door, wat gebeurde er?’
‘Nou, wat dacht je? Daar stonden ze ineens.’
‘Wie?’
‘De mensen. De meneer en de mevrouw. Ik had ze niet horen binnenkomen. Idioot, maar ja... ik was in zo’n roes. Ik dook van de tafel af en wou naar de tuindeur maar daar stond
‘Hoe ben je d’ruit gekomen?’
‘Ik zou het niet meer weten. Ik kwam eruit, dat is zeker. Ik geloof dat ik een schuiverd nam langs haar benen en ook nog een mep van de paraplu kreeg, maar daar wil ik afwezen. Ik schoot de tuin in. En eerst merkte ik nog niks, maar toen ik over de heg wou springen... toen was er iets mis. Ik kon niet meer springen, ik kon niet meer klimmen.’
‘Hoe ben je erover gekomen?’ vroeg Minoes.
‘De hond. Ze hadden de hond losgelaten uit de garage. Ik hoorde ‘m aankomen, hij was vlak bij me en er was geen gat in de heg. Nergens. Ik dacht: daar ga je, Jakkepoes. Verlamd met zo’n hond tegenover je... je hebt geen kans. Maar ik gaf ‘m een kras over z’n neus en daarvan ging ie eventjes terug. En toen die rotzak weer opnieuw aanviel, dacht ik ineens aan m’n nest jonkies hier en ik kwam over de heg.
‘En hoe gaat het nu met lopen?’ vroeg Minoes.
‘Bedonderd. Ik sleep me heel langzaam voort. Maar het zal wel overgaan. Het hoort er allemaal bij. Daarvoor ben je zwerfkat. In elk geval ben ik blij dat ik die rothond een lel heb gegeven die ‘m lang zal heugen.’
‘Hoe heette de hond?’ vroeg Minoes.
‘Mars.’
‘Wat?’
‘O, je kent ‘m?’
‘Ik ken ‘m,’ zei Minoes,’... maar dan was het de baas van Mars die jou heeft geslagen?’
‘Ja natuurlijk, dat vertel ik je toch. Ellemeet heet ie. Hij is de directeur van de Deodorantfabriek. Waar m’n zoon de Deodorantkat woont.’
‘Hij is ook voorzitter van een vereniging,’ zei Minoes. ‘De Vereniging van Dierenvrienden.’
‘Wel wel,’ zei de Jakkepoes medelijdend. ‘Daar heb je ‘t weer, het verwondert me niets. Mensen... allemaal tuig.’
‘Wat afschuwelijk,’ zei Bibi toen ze het verhaal hoorde. ‘Wat een nare man. Die arme Jakkepoes.’
‘Je moet maar eens naar haar toe gaan,’ zei Minoes. ‘Je weet waar ze zit.’
‘Ja, ik ben er al een keer geweest. In de oude caravan. Zou ze het goedvinden dat ik haar kindertjes fotografeer?’
Bibi nam haar fototoestel overal mee en ze maakte links en rechts foto’s van alles. De plaatjes waren meestal erg scheef, maar wel scherp.
Bibi en Minoes waren hele goede vriendjes geworden. Nu zaten ze samen op een bankje in het plantsoen.
‘Heeft Tibbe het in de krant gezet?’ vroeg Bibi. ‘Ik bedoel van meneer Ellemeet en de Jakkepoes?’
‘Nee,’ zei Minoes. ‘Hij mag niet over katten schrijven, zegt hij.’
‘Maar dit gaat niet alleen over katten! Het gaat over de… de voorzitter van... wat was het ook weer?’
‘Van de Vereniging van Dierenvrienden.’
‘Nou, dat moet toch dadelijk in de krant? Dat zo’n man een arme moederpoes kreupel slaat?’
‘Ja, ik vind het ook,’ zei Minoes. ‘Maar hij wil niet.’
Ze keek langs Bibi naar een laaghangende tak van een iep. Bibi volgde haar blik. Er zat een vogeltje vlakbij te zingen. Ze keek naar Minoes en schrok... Er was iets heel akeligs in die blik... precies zoals die keer met de muis...
Minoes schrok op.
‘Ik dee niks,’ zei ze. Maar ze keek schuldig.
‘Het
‘Toen ik nog in de Emmalaan woonde...’ zei Minoes dromerig.
‘Toen je waar woonde?’