Minoes wou nog verder vragen, maar om hen heen werd geroepen: ‘Sssst.’
‘Meneer Ellemeet gaat spreken...’ zeiden de mensen. Ze drongen allemaal naar voren om te luisteren en door dat gedrang raakte Minoes van Tibbe gescheiden.
Hij stond achteraan, terwijl zij helemaal naar voren werd geduwd en vlak bij het tafeltje kwam te staan waarachter meneer Ellemeet zijn toespraak hield.
‘Geachte Jubilaris...’ begon hij. ‘Dames en heren...’
Iedereen was stil.
‘Het doet mij genoegen dat u allen in zo groten getale bent gekomen...’ zei meneer Ellemeet. Terwijl hij sprak hield hij zijn autosleuteltje in de hand.
Hij liet het zachtjes heen en weer bungelen boven het tafeltje.
Tibbe keek naar Minoes en zag tot zijn schrik dat haar ogen heen en weer gingen net als bij een tenniswedstrijd. Ze luisterde helemaal niet, ze keek alleen geboeid naar het zwaaiende sleuteltje, precies als een kat die iets ziet bewegen.
Straks geeft ze er een mep tegen, dacht Tibbe en hij kuchte een keer hard, maar ze lette er niet op.
‘... Velen onderons hebben bij meneer Smit in de schoolbanken gezeten...’ ging de spreker door. ‘En wij allemaal...’
Met een klap kwam het gehandschoende pootje van Minoes tegen het sleuteltje dat kletterend op het tafeltje viel.
Meneer Ellemeet zweeg verschrikt en keek Minoes verbijsterd aan. Alle mensen eromheen keken boos naar Minoes. Ze zag er nu weer uit als een opgesloten poes die probeert een uitweg te vinden. Tibbe probeerde naar voren te dringen, maar plotseling nam ze een duik en verdween tussen rokken en benen in de richting van de grote gedekte tafel met hapjes. En weg was ze.
Gelukkig ging meneer Ellemeet dadelijk door met zijn toespraak en al luisterend vergaten de mensen het voorval.
Tibbe keek tersluiks rond; hij probeerde onder de tafel te kijken... was ze daaronder weggekropen?
Nu was de redevoering afgelopen en meneer Smit zei een dankwoord. Daarna werden er bladen met glazen rondgebracht en de mensen aten hapjes. Tibbe liep ongelukkig rond tussen de drinkende en drentelende groepjes. Waar was ze?
De deur uit geglipt misschien, zonder dat iemand het zag? juffrouw Minoes was erg knap in sluipen en zachtjes lopen en ongemerkt wegglippen. Misschien zat ze thuis op zolder, in de doos.
Tibbe zuchtte. Het was allemaal zo goed gegaan. Ze had niet geblazen en niet gekrabd... geen kopjes gegeven aan de haringman, maar nu was het weer iets anders geweest.
Hij besloot nog even te blijven.
Minoes was niet naar huis gegaan. Zonder dat iemand het zag, was ze een deur door gegaan en nu stond ze in een ander zaaltje van het hotel. Een kleiner zaaltje, een soort vergaderkamer. Er stond een tafel met stoelen, in de hoek was een grote plantenbak en daarnaast op een kastje stond een goudvissenkom.
Ze was alleen in de kamer en ze liep meteen naar de kom. Twee dikke trage goudvissen zwommen rond met happende bekjes en bolle ogen. Op hun dooie gemak, af en toe roeiend met hun staart.
Minoes boog zich over het visglas.
‘Dit mag ik helemaal niet doen...’ zei ze tegen zichzelf. ‘Het is erg kats wat ik nu doe. Straks kan ik me niet meer beheersen. Ga weg, Minoes... draai je om.’
Maar de vissen waren magneetjes. Twee gouden magneetjes die haar ogen vasthielden. Haar rechterhand met de mooie lange handschoen ging vanzelf naar de kom, vlak erboven en...
Er klonken stemmen dichtbij en
De ene was meneer Smit. De andere was meneer Ellemeet.
Minoes zat ineengedoken, helemaal verscholen tussen de hang- en klimplanten, ze hield zich doodstil.
‘Ik wou u graag
Ha, dacht Minoes achter de planten. Nieuws voor meneer Tibbe. Goed luisteren wat er komt.
‘U weet dat er erg veel dierenvrienden zijn in Killendoorn,’ zei meneer Smit. ‘Bijna iedereen heeft een kat. Het doel van onze vereniging is om zoveel mogelijk dieren te helpen. We willen een asiel maken voor arme zwerfkatten, we zouden graag een dierenziekenhuisje willen... en we zouden films willen vertonen over dieren. Ikzelf...’ zo ging meneer Smit door, ‘ikzelf ben bezig een lezing voor te bereiden over katten. Die zal getiteld zijn: “De Kat door de Eeuwen heen”.’
Weer een nieuwtje, dacht Minoes.
‘En nu had ik u willen vragen,’ zei meneer Smit, ‘of u voorzitter zou willen worden van onze Vereniging van Dierenvrienden.’
‘Tja...’ zei meneer Ellemeet. ‘Waarom vraagt u dat aan
‘U bent zo bekend,’ zei meneer Smit. ‘En zo geliefd hier in de stad. U staat trouwens ook bekend als een dierenvriend. U hebt zelf geloof ik ook een kat?’
‘Ik heb een hond,’ zei meneer Ellemeet. ‘Mars.’
Minoes begon zo hevig te rillen in haar hoekje dat de planten meetrilden.