Minoes wachtte. Uit de schaduw van de linkse leeuw kwam een mengeling van vreemde geurtjes. Ze rook poes en parfum. En nu kwam de Deodorantkat te voorschijn.

‘Even neussie-neussie,’ zei hij.

Minoes stak haar neus uit.

‘Sorry dat ik naar appelbloesem ruik,’ zei de kat. ‘Het is ons laatste nieuwe geurtje. Ik heb je iets te vertellen, maar je moet niet zeggen dat je het van mij hebt. Mijn naam mag er niet bij in de krant. Beloof me dat.’

‘Ik beloof het,’ zei Minoes.

‘Nou... weet je nog dat ik je vertelde van Willem? Willem de kantinejongen die bij ons werd ontslagen?’

‘O ja,’ zei Minoes. ‘En?’

‘Hij is weer terug. Hij is weer aangenomen.’

‘Dat is fijn voor ‘m,’ zei Minoes. ‘Maar is dat alles? Het is niets voor de krant.’

‘Stil nou,’ zei de Deodorantkat. ‘Ik ben nog niet uitgepraat. Luister. Ik zat vanmiddag op de richel. Buiten aan de muur is een richel en als ik daar zit, tussen de wingerd, dan kan ik alles horen en alles zien wat er in het kantoor van de directeur gebeurt. De directeur is Ellemeet, weet je wel?’ ‘Of ik dat weet!’ riep Minoes. ‘Hij heeft je moeder kreupel

geslagen!’

‘Juist,’ zei de kat. ‘En zodoende haat ik hem. Niet dat ik zoveel contact meer heb met m’n moeder. Ze ruikt me te ordinair. Ik ben gewend aan fijnere luchtjes. Maar daar gaat het nou niet om. Ik zat dus op die richel. Ik zag dat Willem in het kantoor zat bij Ellemeet en ik dacht: Even luisteren, je kan nooit weten.’

‘Ga door,’ zei Minoes.

ik hoorde Ellemeet zeggen: “Dat is dan afgesproken Willem, je kunt weer terugkomen. Ga maar dadelijk aan de slag.” En Willem zei: “Graag meneer, fijn meneer, dank u wel, meneer.”’

‘En was het daarmee klaar?’ vroeg Minoes.

‘Dat dacht ik eerst,’ zei de kat. ‘Ik dacht dat het klaar was en ik soesde zo’n beetje in... want de zon scheen en je weet hoe dat dan gaat... als je op een richel zit...’

‘Ja ja,’ zei Minoes. ‘Ga nou door.’

‘Wel, ineens hoorde ik dat Ellemeet bij de deur nog zachtjes zei:”... en denk erom... mochten ze je ooit vragen wat je vanmiddag gezien hebt op de Groenmarkt... dan heb je mets gezien. Begrepen? Absoluut niets.

“Nee meneer,” zei Willem. En hij ging het kantoor uit. En dat was dat.’

Aha,’ zei Minoes. ‘Ik begrijp het. Willem heeft het ongeluk zien gebeuren.’

‘Dat dacht ik ook,’ zei de kat.

‘Nu weten we eindelijk ook een mens die het gezien heeft,’ zei Minoes tegen Tibbe. ‘Een echte getuige. Niet alleen een katte-getuige.’

‘Ik ga dadelijk naar Willem,’ zei Tibbe. ‘Misschien geeft hij toe dat hij iets gezien heeft. Als ik het op de man af vraag.’ Hij ging.

Terwijl Tibbe weg was, had Minoes een gesprek op het dak met de kat van het hotel. De Monopoolkat.

‘Luister eens,’ zei Minoes. ‘Ik hoor dat Ellemeet wel eens komt eten in het hotel? Is dat zo?’

‘Ja,’ zei de Monopoolkat. ‘Een keer per week komt hij met zijn vrouw bij ons dineren. Op vrijdag. Dat is dus vanavond weer.’

‘Wil je dan asjeblieft bij zijn tafeltje gaan zitten?’ vroeg Minoes. ‘En luisteren naar wat hij zegt?’

‘Dank je lekker,’ zei de Monopoolkat. ‘Hij heeft me eens een trap gegeven onder tafel.’

‘Kijk,’ zei Minoes. ‘Het zit zo: We zouden graag eens horen wat hij zelf allemaal zegt. Maar niemand van ons durft bij zijn huis te gaan luisteren. Want hij heeft toch immers die hond... Mars... Dus als je een beetje dicht in de buurt kunt komen van zijn tafel.’

‘Ik zal zien wat ik kan doen...’ beloofde de Monopoolkat.

Tibbe kwam veel later thuis, erg moe en moedeloos.

‘Ik ben bij Willem geweest,’ zei hij. ‘Maar Willem zegt dat hij niets gezien heeft. Hij houdt vol dat hij helemaal niet op de Groenmarkt was, toen het gebeurde. Ik geloof dat hij liegt; hij durft natuurlijk niets te zeggen. Ik ben ook bij de haringman geweest, in het ziekenhuis.’

‘Hoe is het met ‘m?’ vroeg Minoes. ‘Rook hij nog lekker?

‘Hij rook naar ziekenhuis,’ zei Tibbe.

‘Wat jammer.’

‘Ik heb tegen hem gezegd: Kan het niet de auto van meneer Ellemeet geweest zijn? Maar de haringman werd woedend en riep: “Wat een idioot idee! Ellemeet is m’n beste klant die doet zo iets niet.” En...’ ging Tibbe verder, ‘ik ben ook nog bij de politie geweest. Ik heb gevraagd: Kan het misschien de auto van meneer Ellemeet geweest zijn?’

‘En wat zeiden ze?’ vroeg Minoes.

‘Ze begonnen hard te lachen. Ze vonden het een krankzinnige vraag.’

Hoofdstuk 11

De Pompkat en de Monopoolkat

‘Heeft je baas nou nog niks geschreven in de krant over Ellemeet?’ vroeg de Jakkepoes.

‘Nee,’ zei Minoes. ‘Hij heeft geen bewijzen, zegt hij.’

‘Wat een lafaard! Wat een schijtlaars! Wat zijn mensen toch een raar soort dieren! Ze zijn al net zo karakterloos als honden,’ riep de Jakkepoes. In haar verontwaardiging lette ze niet op haar kroost. Een van de kleine lapjeskatten was tot vlak bij de caravandeur gelopen. Toen de moederpoes het zag riep ze: ‘Z/ee, kijk nou! Dat wil de vrije natuur in! Zal je hier komen, stuk ellende!’ Ze greep haar kind bij het nekvel en sleepte het terug naar het nest op de deken. ‘Ze beginnen lastig te worden,’ zei ze. ‘De loeders.’

Перейти на страницу:

Похожие книги