De jonkies hadden nu hun oogjes open. Ze waren erg levendig en speelden met eikaars staartje. En met hun moeders dunne slierterige rafelstaart.
‘Hoe gaat het met je poot?’ vroeg Minoes.
‘Het gaat iets beter. Ik loop nog wel mank. Dat zal wel niet meer overgaan. Elke dag ga ik even drinken bij het plasje onder de kraan en ik doe erg lang over de tocht.’
‘En moet je de kinderen dan zo lang alleen laten?’ vroeg Minoes angstig. Ts dat wel vertrouwd?’
‘Er komt hier nooit iemand,’ zei de Jakkepoes. ‘Behalve jij en Bibi. Ze brengt ook elke dag iets voor me mee. En vandaag heeft ze al dat kleine gebroed gefotografeerd. Foto’s gemaakt van al die lelijke gedrochtjes van me! Denk ‘s in.. O ja, voor ik het vergeet... Hun vader, de Pompkat, vraagt ot je zo meteen even bij ‘m langskomt. Hij had je wat te vertellen.
Minoes nam afscheid en liep naar het pompstation. De Pompkat begroette haar vriendelijk.
‘Ik weet niet of het de moeite waard is om te vertellen,’ zei hij. ‘Maar ik dacht... het kan geen kwaad.’
‘Vertel het maar,’ zei Minoes.
‘Ellemeet was hier. Hij had een grote deuk in z’n spatbord. En er was een koplamp stuk.’
‘Ah!’ zei Minoes.
‘Hij heeft twee auto’s,’ zei de Pompkat. ‘Het was de grootste, de blauwe Chevrolet. Je weet we hebben hier een pompstation, en ook een garage. En hij zei tegen m’n baas, de monteur: “Ik ben tegen het hek van m’n eigen tuin gereden. Zou het vandaag nog gemaakt kunnen worden?” Mijn baas zei: “
‘En toen?’ vroeg Minoes.
‘Toen gaf Ellemeet ‘m een bankbiljet. Ik kon niet zien hoeveel het was. Maar vast wel ontzettend veel want m’n baas keek erg blij. En toen zei Ellemeet: “
Terwijl ze wegging riep ze nog: ‘Je hebt lieve kindertjes.’
‘Wie?’ vroeg de Pompkat.
‘Jij.’
‘Ik? Wie zegt dat?’ ‘De Jakkepoes.’
‘Die zegt zoveel,’ smaalde de Pompkat.
De Monopoolkat was een glanzende pikzwarte kater met een witte bef. Hij was wel erg dik door het heerlijke leven in de eetzaal van het hotel. Op etenstijden drentelde hij langzaam tussen de gedekte tafels en bedelde overal met aandoenlijk smekende ogen, alsof hij wou zeggen: Zie je dan je niet dat ik verhonger? De meeste gasten gaven hem iets en daardoor werd hij hoe langer hoe dikker. Hij waggelde.
Het was vrijdagavond halfzeven en de eetzaal was tamelijk goed bezet. Kelners liepen rond, messen en borden rammelden, mensen zaten te eten en te praten, het rook naar warme rosbief en gebakken aardappelen.
In een hoek bij het raam, een beetje apart, zaten meneer Ellemeet en z’n vrouw.
De Monopoolkat ging er wat aarzelend naar toe. Hij had aan Minoes beloofd dat hij zou luisteren, maar omdat hij van deze man wel eens een trap had gekregen onder tafel, durfde hij niet zo best. Op een meter afstand bleef hij zitten. Ze hadden ruzie, dat zag hij aan hun gebaren en aan hun gezichten, maar jammer genoeg was het een fluister-ruzie.
Ik zal vooral niet
Nu zat hij vlakbij en luisterde.
‘,,,zo ontzettend stom van je...’ hoorde hij mevrouw Ellemeet zeggen. ‘…je had het meteen moeten aangeven.’
‘Begin je nou alweer?’ zei meneer Ellemeet. ‘Zeur toch niet zo.’
‘En toch vind ik dat je het had moeten aangeven,’ ging ze door. ‘Je kunt het
Hij schudde driftig z’n hoofd en nam een plak vlees.
De Monopoolkat deed nog een stapje dichterbij.
‘Ga weg pestkat...’ siste meneer Ellemeet. Maar de kat bleef zitten en keek heel onschuldig en hongerig.
‘Praat toch geen onzin,’ ging meneer Ellemeet door. ‘Nu is het te laat. Natuurlijk heb je gelijk... ik
‘Maar als het uitkomt...’
‘Dat kan niet. Geen mens heeft het gezien, behalve een onnozele ontslagen kantinejongen, die ik meteen weer heb aangenomen.’
‘En de garage waar je de auto hebt laten maken?’
‘Die monteur houdt z’n mond. Een goeie vrind van me. Door dik en dun.’
‘En
‘Hou nou eindelijk ‘s op! Denk je dat ik krankzinnig ben? Ik heb zoveel moeite moeten doen om hier in de stad de mensen op mijn hand te krijgen. Links en rechts heb ik geld gegeven, het ene Goeie Doel na het andere. Allemaal om aardig gevonden te worden, allemaal om
De Monopoolkat deed nog een sluipende pas naar voren.
‘Ga je weg...’ siste meneer Ellemeet. ‘Die bedelkat is een ramp!’