‘Wel,’ zei mevrouw Van Dam. ‘Ik heb gelezen dat u voorzitter bent van de Vereniging van Dierenvrienden. Niet waar?’

‘Ja, dat is zo,’ zei meneer Ellemeet.

‘Nou, die vereniging is ervoor... ik bedoel... die zorgt ervoor dat die beestjes een onderdak krijgen. Heb ik gelezen.’

‘Ja, maar op dit ogenblik heb ik niet zoveel tijd...’ zei Ellemeet.

‘En als er geen onderdak voor ze te vinden is,’ zei mevrouw Van Dam, ‘dan zoudt u ze ergens kunnen brengen waar ze pijnloos worden afgemaakt... Wilt u daarvoor zorgen? Ik leg ze achterin.’

Ze legde de gebloemde zak met katjes op zijn achterbank, knikte nog eens vriendelijk tegen hem en ging ervandoor.

Daar zat meneer Ellemeet met een zak jonge katjes in zijn wagen.

‘Dat mens denkt dat ik een kattenasiel heb,’ zei hij boos. ‘Wat moet ik ermee?’

Hij reed weg.

De arme Jakkepoes bleef de eerste ogenblikken mauwend en kermend in de caravan. Toen ze naar buiten ging was mevrouw Van Dam al lang weg. Maar de Pompkat kwam aanlopen.

‘Je kinderen zijn meegenomen,’ zei hij. ‘In een zak. In de auto van Ellemeet. Hij is ermee weggereden.’

De Jakkepoes ging zitten en huilde.

Ze wist nu dat haar jonkies verloren waren, dat het geen zin had ze te gaan zoeken, dat ze misschien al dood waren. En ze kon bovendien niet uit de voeten. Ze was erg hulpeloos.

‘Ik zal het bericht doorgeven,’ zei de Pompkat. ‘Aan de Kattendoorgeefdienst. Ik weet niet of het wat uithaalt.’

De Jakkepoes kon niets zeggen. Ze jammerde zachtjes.

‘Nou, sterkte dan,’ zei de Pompkat. ‘’t Is rot voor je.’

Hij liep weg. De Jakkepoes riep hem achterna: ‘’t Zijn jouw kinderen ook.’

Even draaide de Pompkat zich nog om. ‘Dat staat nog te bezien,’ snauwde hij.

De Kattendoorgeefdienst werkte altijd snel. Maar zo vlug als nu was een bericht nooit doorgekomen. Minoes hoorde het al binnen tien minuten van Fluf.

‘En waar is Ellemeet met de auto heen gereden?’ vroeg ze dadelijk.

‘Zijn auto staat voor het postkantoor.’ ‘En zitten de katjes er nog in?’

‘Nee,’ zei Fluf treurig. ‘Ze zitten er niet meer in. Simon heeft door het raampje gekeken. Er ligt niets meer in de auto.’

‘Waar zijn ze dan?’ riep Minoes. ‘Wat heeft hij er dan mee gedaan?’

‘Niemand weet het,’ zei Fluf. ‘De Pompkat heeft ‘m zien wegrijden en Eukemeentje heeft ‘m zien voorbijkomen langs de kerk. En later zagen ‘n paar katten de auto staan bij het postkantoor. Maar niemand heeft gezien waar hij de katjes heeft gelaten.’

‘Misschien heeft hij ze ergens verdronken...’ riep Minoes. ‘Ach, wat vreselijk voor die arme Jakkepoes. Ze was altijd aan ‘t schelden op haar kinderen, maar ze was zo trots op ze. O, laat alle katten zoeken en vragen en luisteren... ik zal zelf ook zoeken.’

Ze ging de straat op en liep in de richting van het postkantoor. De katten die ze onderweg tegenkwam konden haar niets meer vertellen dan ze al gehoord had. Geen enkele kat had gezien wat er met het kussenovertrek was gebeurd. Ze hadden enkel de auto zien rijden en later de auto zien staan, leeg.

Minoes wist niet waar ze moest zoeken en ze liep radeloos door de steegjes totdat eindelijk Leentje, de Bakkerskat op haar toeholde.

‘Ze zijn gevonden...’ riep Leentje. ‘De Schoolkat heeft ze horen piepen!’

‘Waar?’

‘In een vuilniszak vlak bij ‘t postkantoor. Kom gauw, wij kunnen er niet bij.’

Minoes was er binnen de minuut.

De katjes leefden nog alle zes. Ze zaten nog in het gebloemde overtrek; ze waren met overtrek en al in een grote grauwe vuilniszak gestopt. De beestjes piepten en beefden toen Minoes ze een voor een te voorschijn haalde, maar ze leefden.

Een eind verder stond de wagen van de gemeentereiniging die de vuilniszakken ophaalde... Als Minoes een paar minuten later was gekomen dan zouden de kindertjes van de Jakkepoes zijn meegenomen. Ze zouden gestikt zijn…

Ze deed de zes katjes voorzichtig weer in het kussensloopje om ze mee te nemen. En ze streelde de Schoolpoes die ze had gevonden. ‘Knap van je,’ zei ze. ‘Bedankt. Net op tijd.’

‘En ik heb ook nog een nieuwtje voor je,’ zei de Schoolkat.

‘Vertel eens...’

‘Leiden is ontzet.’

Minoes bracht de jonge katjes niet naar de caravan. Ze bracht ze naar de zolder en legde ze zolang in haar eigen doos.

‘Wat moet dat?’ vroeg Fluf. ‘Is het de bedoeling om dat allemaal hier te houden?’

‘Jazeker,’ zei Minoes. ‘En de Jakkepoes komt er ook nog bij. Ik ga haar nu meteen halen.’

‘Ik weet niet of ik dat goedvind,’ zei Fluf. Maar Minoes was al door het keukenraam heen.

De Jakkepoes wist nog helemaal niets. Ze liep in kringetjes om de caravan heen. Af en toe ging ze naar binnen, alsof ze telkens nog hoop had dat de kleintjes er weer lagen. Aan één stuk door mauwde ze machteloos. Hoe verfomfaaid en groezelig de Jakkepoes ook was... zielig was ze nooit geweest. Ze had altijd iets fiers en vrolijks gehouden. Maar nu niet meer. Nu was ze een treurig hoopje zwerfpoes, erbarmelijk en troosteloos.

Totdat Minoes plotseling op het trapje stond van de caravan.

‘Ze zijn terecht,’ zei ze. ‘Alle zes. Ze zijn bij ons. Op de zolder.’

De Jakkepoes liet niets merken van blijdschap. Ze ging alleen iets rechterop zitten.

Перейти на страницу:

Похожие книги