Schichtig waggelde de zwarte kat weg, maakte een klein rondje door de eetzaal en kwam weer terug op z’n ouwe plaatsje. Hij hoorde Ellemeet zeggen: ‘Stel je voor dat het in de krant komt! Dan is m’n goeie naam kapot. En dan word ik niet in die raadscommissie gekozen. En dan gaat de uitbreiding van de fabriek niet door. Dan heb ik iedereen tegen me. En laten we er nou over ophouden. Wat neem jij toe?’

‘Een cassata-ijsje,’ zei mevrouw Ellemeet.

‘En als ik die rotkat in het donker tegenkom wurg ik ‘m,’ zei haar man terwijl hij dreigend de dikke zwarte kater aankeek.

De Monopoolkat vond dat hij genoeg had gehoord. Hij drentelde naar buiten en hees zich moeizaam de daken op om verslag uit te brengen aan Minoes.

Weer alleen maar een kat, die het gehoord heeft...’ klaagde Tibbe.’ Weer geen echte getuige. Hoe kan ik nou schrijven als ik geen enkel bewijs heb? En die twee mensen die me zouden kunnen helpen... die willen niet zeggen. Willem en de garageman. Ze beweren allebei dat ze van niets weten.’

‘Maar gelooft u de katten nou?’ vroeg Minoes.

‘Ja,’ zei Tibbe. ‘Ik geloof jullie.’

‘Ik hoop dat ik Ellemeet een keer flink kan krabben,’ zei Minoes.

‘Dat hoop ik ook,’ zei Tibbe.

Hij werd er erg mismoedig van. Hij wist nu zeker dat de katten de waarheid spraken, maar hij durfde het niet te schrijven zolang hij geen bewijzen had. Behalve mismoedig was hij ook kwaad. Kwaad en verontwaardigd. En door die kwaadheid raakte hij minder verlegen. Hij durfde nu naar mensen toe te gaan, hij durfde ze van alles te vragen.

Maar wanneer hij zo langs z’n neus zei: ‘Ik heb horen zeggen dat meneer Ellemeet dat ongeluk heeft veroorzaakt met de haringman,’ dan werd iedereen woedend: ‘Hoe kom je daar nou bij... Wie durft er zulke praatjes rond te strooien. Meneer Ellemeet zou zo iets nooit doen! Ten eerste rijdt hij voorzichtig en ten tweede zou hij het dadelijk hebben opgebiecht. Hij zou nooit zijn doorgereden...’

‘Nee Tibbe,’ zei meneer Smit, ‘nou praat je echt wartaal. Wat je nu zegt is ordinaire roddelpraat, m’n jongen.’

Hoofdstuk 12

De kindertjes van de Jakkepoes

Mevrouw Van Dam die beneden Tibbe woonde zei tegen haar man: ‘Ik had toch vroeger zo’n klein groen theepotje. Waar zou dat toch gebleven zijn?’

‘Geen idee,’ zei meneer Van Dam. Maar even later zei hij: ‘Dat theepotje hadden we toch vroeger in de caravan? In onze ouwe caravan.’

‘O natuurlijk... je hebt gelijk. Nou, dan is het zeker verdwenen met de caravan, naar de sloop. Want die ouwe caravan is immers naar de sloop!’

‘Nou je ‘t zegt...’ peinsde meneer Van Dam. ‘Nee, dat ding staat nog altijd op die parkeerplaats achteraan... weet je wel?’

‘Al die jaren?’

‘Ja, al een hele tijd.’

‘Ik ga toch eens kijken,’ zei mevrouw Van Dam. ‘Misschien is het theepotje er nog... het was zo’n lekker potje. En misschien zijn er nog andere dingen in die best te gebruiken zijn.’

Zo kwam het dat mevrouw Van Dam het parkeerterrein op liep net op het moment dat de Jakkepoes was gaan drinken. Zoals elke dag sleepte ze haar manke poot achter zicli aan, op weg naar het plasje water. Haar kindertjes waren alleen gebleven maar er was nooit iets akeligs gebeurd; altijd had ze haar nest ongedeerd teruggevonden, want er kwam nooit iemand op dit plekje.

Maar nu duwde mevrouw Van Dam het deurtje open en ze ging naar binnen.

Onmiddellijk zag ze het troepje op de oude deken.

‘Welja!’ riep ze met een vies gezicht. ‘In mijn caravan! Een heel nest jonge katten... en wat een haveloze vieze katten. En dat nog wel op mijn deken.’

Nu was het een erge oude deken. Gescheurd en vuil. Maar mevrouw Van Dam vond het toch zonde. Ze pakte een oud gebloemd kussenovertrek en stopte de zes kleine katjes erin.

Toen nam ze het groene theepotje en nog een kleedje en een stuk mat, keek nog even rond en zei: ‘Ziezo.’

Met een tas in de ene hand en de zak met katjes in de andere ging ze weg.

De Jakkepoes zag haar de caravan uit gaan, maar ze was nog erg ver uit de buurt. En ze kon niet hard lopen. Zo haastig mogelijk hinkte ze naar haar woning. Ze hees zich het trapje op en keek naar de lege plek op de bank. Een klagende jammerende kattekreet klonk over het parkeerterrein, maar niemand hoorde het want de radio van het tankstation speelde. En mevrouw Van Dam zou er toch niet op gelet hebben, al had ze het gehoord. Ze stond bij de benzinepomp en keek weifelend naar de zware zak met katjes in haar hand.

Wat moet ik hier in hemelsnaam mee doen, dacht ze. Ik kan ze toch niet mee naar huis nemen? Wat moet ik met zes vieze jonge katten?

Nu zag ze dat er een auto stond te tanken. Een grote blauwe auto. Het was de wagen van meneer Ellemeet.

Mevrouw Van Dam ging ernaar toe. Ze boog zich voorover en zei door het open portierraampje: ‘O, dag meneer Ellemeet...’

‘Dag mevrouw Van Dam.’

‘Ik heb een nest met jonge katten bij me. Ik vond ze in mijn ouwe caravan. Ze zitten in een oud kussensloop... Mag ‘k ze aan u geven?’

‘Aan mij?’ vroeg meneer Ellemeet. ‘Wat moet ik met jonge katten?’

Перейти на страницу:

Похожие книги